logo 't Brierke
park
April 2009
 
--> vaste rubrieken <--
--> en verder <--

Geschiedenis AB: Belastingen toen en nu

Vorige keer heb ik de tolheffing voor een paard met ruiter van rond 1740 vergeleken
met wegenbelasting nu.
Vroeger moest het paard worden gevoerd en tegenwoordig de auto, daarom heb ik de belasting op benzine niet meegenomen in de vergelijking. Wel werd door de zoektocht naar de antwoorden op de vragen van Joop, biljarter net als ik, mijn interesse in de belastingen toen en nu gewekt.
Is er iets nieuws onder de zon?

In de 18de eeuw werd er bij de burger belasting geheven door het rijk en de gemeente.
Nu is dat door het rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap.

In die 18de eeuw was er sprake van 3 soorten belasting door het rijk.
De ‘verponding’ en de ‘(konings)bede’ waren beide belastingen op landbouwgronden– de agrarische sector werd toen zwaar belast!
In 1654 werden de ‘gemene middelen’ of accijnzen op de eerste levensbehoefte ingevoerd. Omdat iedereen moet eten en drinken vormden de gemene middelen een zekere inkomstenbron.
De gemene middelen bestonden uit accijnzen op:

  • Gemaal (graan, bonen, etc.);
  • Bestiaal (geslacht vlees);
  • Bieren en wijnen (en sterke drank);
  • Hoorngeld (rundvee ouder dan 3 jaar);
  • Bezaai (op landerijen, voor zover ze waren ingezaaid);
  • Kleine speciën (zout, zeep, azijn, brandhout, etc.).

De gemeente hief daarnaast de reële en de personele omslag. De eerste was op woningbezit (nu WOZ) en de tweede een soort inkomstenbelasting.

Tegenwoordig kennen we twee soorten rijksbelastingen, die op inkomen, winst en vermogen en de kostprijsverhogende belastingen.

Belastingen op inkomen etc. zijn: loonbelasting en inkomstenbelasting, kansspelbelasting op een gewonnen prijs van meer dan €454,-, dividendbelasting op uitgekeerde winst voor mensen met een aandeel van meer dan 5% in een bedrijf en successie en schenkingsrecht (geef je geld uit anders betalen de kinderen er nog belasting over). Natuurlijk is er voor bedrijven ook nog de vennootschapsbelasting.

De kostprijsverhogende belastingen, de overheid is soms heel creatief, zijn:
omzetbelasting, invoer- en uitvoerbelasting, assurantiebelasting, overdrachts-belasting, motorrijtuigenbelasting en BPM.
En dan nog een uit de oude doos: ACCIJNZEN op alcohol, wijn en bier EN op alcoholvrije dranken, op tabak en op minerale oliën (benzine, diesel, huisbrandolie en lpg).
Ook hebben we nog milieubelastingen die de kostprijzen verhogen: grondwaterbelasting (voor als je water uit de grond haalt), belasting op leidingwater, brandstoffenbelasting (als je nog op kolen stookt), energiebelasting (gas en elektriciteit) en afvalstoffenbelasting.
Mis ik nou de verpakkingsbelasting, de vliegtaks, nog andere?

De provincie belast de burger met de opcenten op de wegenbelasting, in Noord-Brabant 72,7% op de door het rijk geheven belasting.

De gemeente rekent af op OZB, baatbelasting, forensenbelasting, hondenbelasting, precariorechten, toeristenbelasting, parkeerbelasting, reclamebelasting, begrafenisrechten, havengelden, bouwgrondbelasting, leges, marktgeld, afvalstoffenheffing, reinigingsrecht en, bent u daar nog, rioolheffing.

O ja, en dan nog het waterschap waar de laatste tijd zoveel over te doen is. De waterschappen hebben een watersysteemheffing, een verontreinigingsheffing en een zuiveringsheffing.

Ik hoop dat Joop me niet gaat vragen om een vergelijking van de belastingdruk van toen en nu.

Om een idee van toen te geven: de gemiddelde opbrengst van de gemeentebelasting in de periode 1750 - 1770 was fl. 2640,-, de landelijke belasting fl. 7492. Dit werd door gemiddeld 478 huishoudens opgebracht. Per huishouden dus fl 21,18. Hiervoor moest gemiddeld 24 dagen gewerkt worden.

Joop en u moeten zelf maar eens aan het rekenen slaan hoeveel hij en u aan belasting betalen. Ik ben benieuwd naar de uitkomst (er is geen prijs voor het juiste antwoord, hoewel een flesje wijn er nog wel van af kan).

Voor deze bijdrage heb ik ijverig gebruik gemaakt van het prachtige werk van Gabriël van den Brink: De grote overgang, Woensel 1670-1920.

Voorlopig is dit de laatste bijdrage aan ‘t Brierke.

Wil van Melis